Nieuwe EU-richtlijn 2026/799: belangrijke hervorming van het insolventierecht

Niet alleen de introductie van de EU Inc. betekent een nieuw tijdperk voor het vennootschapsrecht. De EU-regelgever wenst ook insolventie aan te pakken, en zo een bijkomende impuls en versterking te geven aan de interne markt, waarbij het grensoverschrijdende steeds meer aan belang lijkt te winnen.  

Op 1 april 2026 publiceerde de Europese Unie Richtlijn (EU) 2026/799, ook wel de “Insolvency III-richtlijn” genoemd. Deze richtlijn vormt een nieuwe stap in de geleidelijke harmonisatie van het insolventierecht binnen de EU en heeft als doel meer transparantie, voorspelbaarheid en efficiëntie te creëren voor ondernemingen, schuldeisers en investeerders. 

Waar eerdere regelgeving vooral gericht was op het herstel van ondernemingen in moeilijkheden, verschuift de focus nu duidelijk naar het beschermen en maximaliseren van de waarde van de boedel ten voordele van schuldeisers. Lidstaten, waaronder België, moeten deze richtlijn uiterlijk tegen 22 januari 2029 omzetten in nationale wetgeving. Voor België betekent dit ingrijpende aanpassingen aan Boek XX van het Wetboek van Economisch Recht. 

De richtlijn kiest voor een gerichte minimumharmonisatie en concentreert zich op zes kerngebieden. 

 

 1. Versterking van deactiopauliana (terugvorderingsacties) 

Een centraal element van de richtlijn is de harmonisatie van zogeheten “avoidance actions”, waarmee bepaalde transacties vóór het faillissement kunnen worden teruggedraaid indien zij schuldeisers benadelen. 

De richtlijn introduceert een uniforme indeling van betwistbare transacties, zoals voorkeursbetalingen of zekerheden; transacties tegen een te lage waarde of handelingen met benadelingsoogmerk.  

Daarenboven voorziet de nieuwe regeling in minimale “terugkijktermijnen” van drie maanden tot twee jaar, alsook vermoedens van kennis bij transacties tussen verbonden partijen (zoals bestuurders of gelieerde vennootschappen). Eveneens wordt voorzien in een uniforme verjaringstermijn van maximaal drie jaar. 

Het idee achter deze regeling is dat transacties kort vóór insolventie, zoals herstructureringen of interne groepsverrichtingen, strenger zullen worden beoordeeld. 

 

 2. Betere opsporing van activa en toegang tot informatie

De richtlijn versterkt de mogelijkheden voor curatoren om activa op te sporen, vooral in grensoverschrijdende situaties. Zij krijgen toegang tot bankrekeningregisters, registers van uiteindelijke begunstigden (UBO’s) en nationale databanken (zoals vastgoed-, voertuigen- en zekerhedenregisters).  Belangrijk is dat ook buitenlandse curatoren dezelfde toegang krijgen. 

M.a.w. het wordt aanzienlijk moeilijker om activa te verbergen, wat de kans op effectieve terugvordering verhoogt. 

 

 3. Europees kader voor “pre-pack” verkopen

Voor het eerst komt er een geharmoniseerd systeem voor pre-pack verkopen: vooraf onderhandelde overdrachten van ondernemingen in moeilijkheden. 

Deze worden gekenmerkt door een tweefasenstructuur: 1. een vertrouwelijke voorbereidingsfase onder toezicht van een onafhankelijke monitor; en 2. een formele insolventiefase waarin de verkoop wordt uitgevoerd.  

Daarnaast wordt voorzien in de mogelijkheid dat de schuldenaar tijdelijk controle behoudt, en worden er strenge eisen voorzien inzake marktwerking, waardering en transparantie. Tevens wordt er een beschermingsmechanisme tegen misbruik door insiders voorzien.  

De visie achter deze regels is om meer kansen te genereren om ondernemingen als “going concern” te redden en waarde te behouden. 

 

 4. Nieuwe verplichting voor bestuurders om tijdig faillissement aan te vragen

De richtlijn introduceert een uniforme Europese norm voor bestuurders en voorziet in bijkomende aansprakelijkheid. Zij moeten binnen maximaal drie maanden na vaststelling van insolventie een procedure opstarten. Doen zij dit niet tijdig, kunnen zij persoonlijk aansprakelijk worden gesteld, en kunnen schuldeisers een schadevergoeding eisen indien de waarde van de boedel is verminderd door enig uitstel van de bestuurders.  

 

 5. Formele rol voor schuldeisers via comités

De richtlijn creëert een Europees kader voor schuldeiserscomités. De kernpunten kunnen worden samengevat als volgt: schuldeisers kunnen de oprichting van een comité vragen; ook grensoverschrijdende schuldeisers kunnen deelnemen; het comité heeft inspraak bij belangrijke beslissingen en toezicht op de procedure; leden genieten beperkte aansprakelijkheid wanneer zij te goeder trouw handelen.  

Zodoende krijgen schuldeisers meer invloed en kunnen zij hun belangen betere verdedigen.  

 

 6. Meer transparantie en vergelijkbaarheid

Daarnaast moeten lidstaten gestandaardiseerde informatie publiceren over hun insolventieregels, waaronder de beschikbare procedures; regels voor indiening en rangschikking van vorderingen; gemiddelde duur van procedures en de verwachte recuperatiepercentages.  

De investeerders en schuldeisers moeten dus sneller inzicht hebben in de nationale systemen binnen de EU.  

Conclusie 

De Insolvency III-richtlijn betekent een duidelijke versterking van de positie van schuldeisers binnen de Europese Unie. Door meer uniformiteit en transparantie vermindert de juridische versnippering tussen lidstaten. 

Samenvattend, springen drie belangrijke gevolgen eruit: 

  • Betere recuperatiekansen dankzij sterkere terugvorderingsregels en betere opsporing van activa.  
  • Meer invloed voor schuldeisers via pre-pack procedures en schuldeiserscomités.  
  • Grotere aansprakelijkheid van bestuurders bij laattijdig optreden.  

 Voor België zal de omzetting van deze richtlijn een belangrijke modernisering van het insolventierecht betekenen, met een meer gestructureerd, transparant en handhavingsgericht systeem als resultaat.