Het bijzondere aansprakelijkheidsregime voor gebrekkige producten is momenteel in het Belgisch recht geregeld door de artikelen 6.41 tot 6.55 van het Burgerlijk Wetboek, voortvloeiend uit richtlijn 85/374/EEG van 25 juli 1985. Richtlijn 2024/2853 van 23 oktober 2024, die uiterlijk op 9 december 2026 moet worden omgezet, brengt belangrijke wijzigingen aan deze regeling met zich mee, met het oog op een betere bescherming van natuurlijke personen tegen producten die niet de verwachte veiligheid bieden.
Bijzondere aandacht is besteed aan de evolutie van nieuwe technologieën, waaronder het sterk opkomende domein van artificiële intelligentie, en aan de uitdagingen die voortvloeien uit de toenemende technische complexiteit.
De nieuwe richtlijn is van toepassing op producten die na 9 december 2026 op de markt worden gebracht of in gebruik worden genomen.
Het begrip “product” wordt in de richtlijn gedefinieerd als elk roerend goed, ook nadat zij is geïntegreerd in of onderling is verbonden met een andere roerende of onroerende zaak, Hieronder vallen ook grondstoffen (bijv. elektriciteit, gas, water), digitale fabricagedossiers (bijv. voor een 3D-printer, …) en software (ongeacht de wijze van levering of gebruik).
Het begrip “in de handel brengen” wordt gedefinieerd als het voor het eerst in de Unie op de markt aanbieden van een product, m.a.w. elke levering van een product dat bestemd is om te worden gedistribueerd, geconsumeerd of gebruikt op de markt van de Unie in het kader van een handelsactiviteit, al dan niet tegen betaling.
Enigszins verrassend is het begrip “handelsactiviteit”, dat van belang is om het toepassingsgebied te bepalen, met name voor publiekrechtelijke rechtspersonen, echter niet nader gepreciseerd. Nochtans kan een handelsactiviteit worden beschouwd als al dan niet een winstoogmerk vereisend.
De preambule van richtlijn 2024/2853 verschaft nauwelijks verduidelijkingen ter zake. Een overweging met betrekking tot vrije software brengt echter wel enkele interessante elementen aan. Zo wordt onder meer aangegeven dat (nadruk toegevoegd):
Zelfs als de redenering voor non-profitorganisaties een cirkelredenering is, suggereert het feit dat een rechtspersoon zonder winstoogmerk wordt genoemd dat het nastreven van winst niet noodzakelijk is om een activiteit als “handelsactiviteit” te kwalificeren. Evenzo lijkt alleen de betaling van een prijs voldoende te zijn om deze kwalificatie te doen gelden, zonder dat dit vermoedelijk beperkt is tot producten waarvan verwacht kan worden dat ze kosteloos worden geleverd.
Het zal aan de rechtspraak zijn om de grenzen van het begrip handelsactiviteit duidelijker af te bakenen, een begrip dat, zoals we hebben gezien, het toepassingsgebied van de richtlijn aanzienlijk kan laten fluctueren.