Nieuwe regels inzake bijzondere contracten in het Burgerlijk Wetboek

Aangezien het verbintenissenrecht grondig werd hervormd met boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, was een hervorming van het bijzondere contractenrecht -waarbij rekening wordt gehouden met de evoluties in de rechtspraak en de rechtsleer- ook noodzakelijk. Zo werd op 20 februari 2025 het Wetsvoorstel tot invoeging van Boek 7 “Bijzondere contracten” in het Burgerlijk Wetboek ingediend.

Dit wetsvoorstel beoogt de modernisering van de specifieke regels van het oud Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de koop, huur, huur van werk, lastgeving, bewaargeving en de dading, evenals de bruikleen en bepaalde kanscontracten.

De hervorming is gestructureerd rond vier krachtlijnen: 1) vereenvoudiging, 2) herstructurering, 3) coherentie tussen verschillende benoemde contracten en 4) een rechtsvergelijkend perspectief. Hoewel de ontwerptekst vernieuwend is, beoogt zij geen fundamentele wijziging van het bijzondere contractenrecht. Wij lijsten hieronder een aantal interessante wetenswaardigheden op met betrekking tot het ontwerp.

  • Net zoals de bepalingen van het oud Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de bijzondere contracten, zijn de bepalingen met betrekking tot bijzondere contracten van boek 7 in principe van aanvullend recht. Partijen kunnen er dus van afwijken.
  • De regels van het oud Burgerlijk Wetboek over huur van werk (aanneming), bewaargeving en lastgeving worden geïntegreerd in één gemeenschappelijk dienstencontract. Het dienstencontract wordt in het voorstel gedefinieerd als een contract waarbij de opdrachtnemer zich ten aanzien van de opdrachtgever verbindt om een materiële of intellectuele opdracht te verrichten, zonder dat de opdrachtnemer zich ten aanzien van de opdrachtgever in een ondergeschikt verband bevindt.
  • De bewoordingen in het oud Burgerlijk Wetboek lieten er discussie over bestaan of de rechtstreekse vordering van de hulppersoon tegen de opdrachtgever enkel geldt in de bouwsector, dan wel ook op andere dienstencontracten toepassing kon vinden. De bewoordingen van de voorgestelde bepaling in het wetsvoorstel maken nu duidelijk dat de rechtstreekse vordering van de hulppersoon tegen de opdrachtgever wel degelijk voor alle dienstencontracten geldt.
  • Het voorstel voorziet in de codificatie van een veiligheidsplicht voor de opdrachtnemer. Houdt de uitvoering van het dienstencontract voor de opdrachtgever of voor zijn goederen, voor derden of hun goederen, voor het milieu, etc. bepaalde risico’s in, dan rust op de opdrachtnemer een veiligheidsplicht. De opdrachtnemer zal alle redelijke maatregelen moet nemen om te vermijden dat de uitvoering van de opdracht schade aan de persoon van de opdrachtgever of aan diens goederen, aan derden of hun goederen, aan het milieu, etc. zou toebrengen.
  • De verschillende koopregimes worden zo veel als mogelijk geharmoniseerd en geherstructureerd tot een logisch geheel. Het voorstel zoekt zoveel mogelijk aansluiting bij internationale en Europese teksten door een geïntegreerd kooprecht voor te stellen. De regels die voorheen buiten het oud Burgerlijk Wetboek waren opgenomen, worden in het voorstel ook geïntegreerd in het kooprecht.
  • De harmonisatie van de verschillende koopregimes komt het duidelijkst tot uitdrukking in de afschaffing van het duaal aansprakelijkheidsregime voor zichtbare en verborgen gebreken dat in het oud Burgerlijk Wetboek werd bepaald. Op het vlak van de kwaliteit (en kwantiteit) van het goed heeft de verkoper onder het oud Burgerlijk Wetboek twee verbintenissen: de verbintenis tot conforme levering en de verbintenis tot vrijwaring voor verborgen. Beide verbintenissen zijn gekenmerkt door twee verschillende aansprakelijkheidsregimes, met eigen toepassingsvoorwaarden, sancties, termijnen en regels over bevrijding van aansprakelijkheid. In het wetsvoorstel wordt de verbintenis tot levering en de vrijwaring voor verborgen gebreken gefuseerd en vervangen door het eenvormig begrip “conformiteit” en zullen beide verbintenissen aan dezelfde regels onderworpen worden.
  • Ook interessant is dat het voorstel afstand neemt van de regel die in de rechtspraak en rechtsleer ontwikkeld werd, volgens dewelke op de fabrikant en de gespecialiseerde verkoper een resultaatsverbintenis rust tot opsporing en vaststelling van de verborgen gebreken. Behoudens tegenbewijs worden fabrikanten en gespecialiseerde verkopers geacht de verborgen gebreken te hebben gekend. Het oud Burgerlijk Wetboek bewerkstelligt immers een “vermoeden” van kwade trouw in hoofde van deze verkopers, dat door een strenge lijn in de rechtspraak uiterst moeilijk te weerleggen was. Dat wordt in de toekomst dus wellicht anders.
  • Buitengerechtelijke ontbinding is niet mogelijk bij huurovereenkomsten betreffende de huur van een onroerend goed. Dit is in principe slechts een herhaling van een essentiële bepaling uit het huurrecht, alleen bepaalt artikel 1762bis oud Burgerlijk Wetboek de term “voorwaarde” die onnauwkeurig was.