Het nieuwe Strafwetboek voert een nieuwe verkeersovertreding in. Zo betekent de invoering van het misdrijf “dodelijk verkeersongeval” een keerpunt in de bestraffing van gevaarlijk rijgedrag. Deze hervorming, die tot doel heeft bestuurders verantwoordelijker te maken en de slachtoffers op symbolische wijze recht te doen, kadert in een Europese tendens naar strengere straffen. De invoering van deze nieuwe categorie van strafbare feiten zou tot gevolg kunnen hebben dat de lijnen van het verzekeringsrecht opnieuw worden uitgetekend.
Op 8 april 2026 treedt het nieuwe Strafwetboek in werking. Dit nieuwe wetboek zal het oude Strafwetboek vervangen, dat in 1867 werd aangenomen en niet langer beantwoordde aan de hedendaagse eisen en realiteiten. De wetgever heeft daarom een grondige hervorming van het Strafwetboek doorgevoerd en daarbij onder meer nieuwe specifieke strafbare feiten opgenomen die voordien niet bestonden.
De invoering van het zogenoemde misdrijf “dodelijk verkeersongeval” maakt deel uit van deze talrijke vernieuwingen.
Artikel 107 van het nieuw Strafwetboek voorziet:
“Het doden door een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid in het kader van een verkeersongeval wordt bestraft met een straf van niveau 3.”
Deze nieuwe kwalificatie leidt tot een verzwaring van de sancties in geval van een verkeersongeval met dodelijke afloop. De op te lopen straf kan oplopen tot vijf jaar gevangenisstraf en een geldboete tot maximaal 10.000 euro.
Met deze hervorming beoogt de wetgever bestuurders te sensibiliseren en te benadrukken welke bijzondere verantwoordelijkheid rust op iedereen die achter het stuur plaatsneemt. De voorbereidende werkzaamheden herinneren hier uitdrukkelijk aan:
“O.i. kan een behoud van dit verzwarend bestanddeel worden verantwoord gelet op de grote verantwoordelijkheid die men opneemt wanneer men beslist deel te nemen aan het verkeer. In het bijzonder wanneer men zich met een voertuig verplaatst, heeft het eigen gedrag een potentieel grote impact op het leven en de fysieke integriteit van de andere verkeersdeelnemers. Het is verantwoord om de burgers, door middel van deze strafverzwaring, op deze bijzondere verantwoordelijkheid te wijzen.”1
De hervorming komt aldus tegemoet aan een langgekoesterde vraag van verenigingen van verkeersslachtoffers en rouwende families, die een explicietere erkenning wensten van de actieve verantwoordelijkheid van bepaalde bestuurders.
Tot op heden werd een bestuurder die bij een verkeersongeval de dood van een ander veroorzaakte, vervolgd voor “onopzettelijke doodslag”. In sommige gevallen is het overlijden echter het gevolg van gevaarlijk gedrag vanwege de bestuurder dat, zonder een doodsopzet te impliceren, wel wijst op een bewuste en weloverwogen risico-neming die het leven van anderen ernstig in gevaar brengt. Men denke hierbij onder meer aan overdreven snelheid, een hoge alcoholintoxicatie, het gebruik van drugs of andere stoffen, enzovoort.
Het doel van dit nieuwe misdrijf is het bestraffen van onredelijk gedrag.
Het dient evenwel te worden verduidelijkt dat, nog vóór de inwerkingtreding van de voormelde bepaling, een wetsvoorstel werd ingediend met het oog op de versterking van de regeling voorzien in artikel 107 van het nieuwe Strafwetboek.
Dit voorstel werd op 29 januari 2026 jongstleden goedgekeurd.
De term “dodelijk verkeersongeval” werd dus vervangen door “doodslag in het verkeer” en de straf werd verhoogd naar niveau 4, zijnde een gevangenisstraf van vijf tot tien jaar, met de mogelijkheid tot strafvermindering bij aanwezigheid van verzachtende omstandigheden2.
Het doel is om de termen “onopzettelijk” of “accidenteel” te schrappen, die als onvoldoende representatief worden beschouwd voor het actieve gedrag van de daders van deze drama’s. Het gebruik van het begrip “verkeersdoodslag” beoogt de boodschap over de ernst van zowel de gevolgen als de betrokken gedragingen te versterken, een grotere bewustwording bij bestuurders te bevorderen en beter aan te sluiten bij het gevoelen van de families van de slachtoffers. In dit verband worden de termen “verkeersongeval” vervangen door de termen “aanrijding”.
Het nieuwe artikel 107 van het Wetboek van Strafrecht zal dus als volgt luiden:
“Het doden door een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid in het kader van een aanrijding wordt bestraft met een straf van niveau 4.”
In dit wetsvoorstel wordt eveneens voorzien in de mogelijkheid om verzachtende omstandigheden in te roepen teneinde de strafdrempel te verlagen, dan wel verzwarende omstandigheden om de bestuurder zwaarder te bestraffen.
Hoe dan ook sluit België zich met de invoering van dit nieuwe misdrijf in het Strafwetboek aan bij een tendens die in verschillende Europese landen wordt waargenomen. Zo kennen het Verenigd Koninkrijk en Nederland reeds een specifieke strafrechtelijke kwalificatie voor doodslag gepleegd in het kader van het wegverkeer. Ook Frankrijk heeft recent het begrip “verkeersdoding” in zijn strafrecht opgenomen, eveneens op initiatief van slachtofferverenigingen.
Hoewel de door het VIAS-instituut gepubliceerde cijfers — waaruit een stijging van 4% van het aantal verkeersdoden op de Belgische wegen in de eerste helft van 2025 blijkt — de noodzaak onderstrepen om de verkeersveiligheid te versterken, kan de strafrechtelijke reactie niet worden ingebed in een logica die elke nuance ontbeert.
De invoering van het misdrijf “dodelijk verkeersongeval” zal onmiskenbaar leiden tot een verstrenging van het Belgische strafregime.
Het nieuwe Strafwetboek voert evenwel een mechanisme in dat een differentiatie van foutief gedrag mogelijk maakt, waardoor een onderscheid kan worden gemaakt tussen de onoplettende of uitgeputte bestuurder en de bestuurder die bewust een gevaarlijke rijstijl hanteert. De rechter beschikt aldus over een beoordelingsmarge om de hem voorgelegde feiten te kwalificeren in functie van de intentie, de voorzienbaarheid van het risico, de ernst van de fout en de gevolgen ervan.
Het nieuwe regime vereist inderdaad een geïndividualiseerde beoordeling van de feiten, waarbij rekening wordt gehouden met de concrete omstandigheden, de mate van fout en de persoonlijkheid van de bestuurder.
De hervorming opent aldus een nieuw denk- en praktijkveld, waarin het streven naar een rechtvaardig evenwicht tussen repressie, preventie en billijkheid bepalend zal blijven, met inachtneming van het leed van de nabestaanden van de slachtoffers.