18 maart 2026 zal een kantelmoment blijven voor de interne markt, maar voor Belgische juristen heeft de aankondiging iets van een “déjà vu”. Met haar voorstel voor de EU-Inc. introduceert de Europese Commissie een kader met gelijkenissen met het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV), die de Belgische rechtspractici in staat zullen stellen er moeiteloos mee te werken. Afschaffing van het minimumkapitaal, voorrang van de solvabiliteitstest en statutaire flexibiliteit: wat zeven jaar geleden een revolutie was, wordt vandaag de lanceerbasis voor de Europese ondernemingen van morgen.
Het eerste aanknopingspunt, en wellicht het meest symbolische, ligt in het loslaten van het begrip minimumkapitaal. Traditioneel steunde het Europese vennootschapsrecht op het nominaal kapitaal als waarborg voor schuldeisers. België brak met dit principe in 2019 met de BV. Het EU-Inc.-project heeft die stap nu op Europees niveau gezet: er wordt geen minimuminbreng meer vereist bij de oprichting.
De gelijkenis tussen de EU-Inc. en de BV stopt niet bij het ontbreken van een minimumkapitaal; ze zit ook in de vereiste van levensvatbaarheid bij oprichting. In het Belgische recht is de afschaffing van het kapitaal nooit synoniem geweest met een gebrek aan middelen. De oprichter van een BV moet verplicht een rigoureus financieel plan opstellen dat aantoont dat de ingebrachte middelen volstaan om de activiteiten van de vennootschap gedurende minstens twee jaar te verzekeren. Dit document, neergelegd bij de notaris, vormt de basis van de aansprakelijkheid van de oprichters.
Het EU-Inc.-project sluit aan bij diezelfde filosofie van adequate kapitalisatie, maar vertaalt die op een andere, pragmatischere manier. Deze benadering markeert de overwinning van een dynamische visie op solvabiliteit boven een statische. Net als bij de Belgische BV rust de bescherming van derden niet langer op een vast bedrag aan de passiefzijde van de balans, maar op een verhoogde waakzaamheidsplicht van bestuurders. Voor Belgische ondernemers, die gewend zijn de samenhang van hun economisch project te verantwoorden via het WVV, zal de overstap naar de EU-Inc. geen sprong in het onbekende zijn, maar eerder een bevestiging van een reeds verworven bestuurscultuur.
Een terugkerende kritiek op het model zonder kapitaal is het risico op verzwakking van schuldeisers tijdens het bestaan van de vennootschap. Het EU-Inc.-project antwoordt op deze bezorgdheid met een veiligheidsarchitectuur die vergelijkbaar is met het Belgische uitkeringsregime van de artikelen 5:142 en volgende van het WVV. In het Europese model verschuift solvabiliteit naar een resultaatsverbintenis voor bestuurders.
Het kerninstrument van deze bescherming is de “solvabiliteitstest”. Voor elke uitkering van dividenden of inkoop van aandelen moet het bestuursorgaan, via een door alle bestuurders ondertekende verklaring, bevestigen dat de vennootschap in staat zal blijven haar schulden te voldoen wanneer deze opeisbaar worden, gedurende een periode van twaalf maanden. In België vervult de dubbele test (nettoactief- en liquiditeitstest) exact dezelfde functie. In geval van faillissement na een ongerechtvaardigde uitkering voorziet de regeling in een bijzonder streng hoofdelijke aansprakelijkheidsregime: bestuurders worden persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schade aan derden indien de verklaring onjuist of frauduleus blijkt.
Deze benadering verschuift het zwaartepunt van de bescherming: de waarborg ligt niet langer in een geldreserve, maar in de transparantie van financiële stromen en de verantwoordingsplicht van bestuurders. Voor banken en leveranciers biedt de EU-Inc. meer zichtbaarheid dankzij een op Europees niveau geharmoniseerd verificatieformat, waardoor solvabiliteitstests beter leesbaar en vergelijkbaar worden tussen lidstaten. Kortom, de EU-Inc. maakt van de aansprakelijkheid van bestuurders een soort vertrouwensvaluta binnen de EU-markt.
Het zou echter te beperkend zijn om deze waakzaamheid te beperken tot het moment van winstuitkering. De solvabiliteitstest is slechts een waarborg bij uitkeringen. De aansprakelijkheid van bestuurders binnen de EU-Inc. blijft gedurende het hele bestaan van de vennootschap spelen. Net als bij bestuurders van Belgische BV’s zijn zij gehouden tot een zorgvuldige en diligente bestuursverplichting.
Het project verankert bovendien de “Business Judgment Rule”, die bestuurders beschermt tegen aansprakelijkheidsvorderingen wegens loutere beoordelingsfouten. Deze bescherming blijft gelden zolang de beslissing te goeder trouw en in het redelijk belang van de onderneming werd genomen. Een bestuurder is dus enkel juridisch aansprakelijk tegenover de vennootschap wanneer zijn beslissingen duidelijk afwijken van het gedrag van een normaal voorzichtig bestuurder. Opvallend is echter dat het project in dit geval enkel een vordering ten voordele van de vennootschap toelaat, en niet van schuldeisers.
Met andere woorden: schuldeisers kunnen de persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders enkel actief inroepen in het kader van de solvabiliteitstest. Dit roept een fundamentele vraag op: als het kapitaal verdwijnt, volstaat de aansprakelijkheid van bestuurders dan als bescherming voor derden?
Het EU-Inc.-project markeert zonder twijfel een belangrijke stap. Belgische vennootschapsjuristen zullen zich dankzij de gelijkenissen met het WVV vlot in dit kader kunnen vinden, maar de tekst blijft gedurfd. De Europese Unie lijkt haar traditionele beschermingsnormen deels los te laten en te evolueren naar een meer Amerikaanse benadering, gericht op competitiviteit en flexibiliteit voor start-ups en scale-ups.
Toch roept deze flexibiliteit vragen op. De solvabiliteitstest is een goed begin, maar blijft een halve maatregel: hoe kan een schuldeiser zich op deze bescherming beroepen als er geen uitkering heeft plaatsgevonden? Door alle obstakels voor groei weg te nemen, bestaat het risico dat de bescherming van schuldeisers juist wordt verzwakt, met mogelijk het tegenovergestelde effect als gevolg. Als het vertrouwen van derden afneemt, zou de vrijheid die de EU-Inc. biedt wel eens een vergiftigd geschenk kunnen blijken voor de vennootschappen die zij wil ondersteunen. Het debat blijft open, en de rechtspraktijk zal opnieuw de doorslaggevende toetssteen zijn voor deze Europese ambitie.